Tweeregelige gedichten zijn van alle tijden. We geven een kleine bloemlezing, beginnen daarmee in de zestiende en eindigen in de eenentwintigste eeuw. Uit elke eeuw enkele hoogtepunten.

Het puntje van een gauwe pen
Is ’t felste wapen dat ik ken.

Jacob Cats (1577-1660)

De zee
Maakt gedwee.

Jacob Cats (1577-1660)

Op Hugo de Groot
Twee kisten bergden Huig de Groot,
d’ Een levendig; maar d’ander dood.

Joost van den Vondel (1587-1679)

Sneldichts Eigenschap
Sneldichters, leert van mij, zal ’t Sneldicht goed zijn;
Zoo moet het Scherp en Rond en Zout en Zoet zijn.

Constantijn Huijgens (1596-1687)

Die op eens anders vuil, niet op zijn eigen ziet,
Is wel voor andren wijs, maar voor zich zelven niet.

Jeremias de Decker (1610-1666)

Meester en leerling
De meester, in zijn wijsheid, gist
De leerling, in zijn waan, beslist.

A.C.W. Staring (1767-1840)

“De duivel haal’ me, als ik..,” riep Willem in de kroeg,
Toen juist zijn wijf verscheen en hem naar huis toe joeg.

P.G. Witsen Geysbeek (1774-1833)

Op poot
Hier ligt Poot:
Hij is dood.
De Schoolmeester (1808-1858). Dit grafschrift is overigens door Van Lennep toegevoegd aan de bundel en die had het weer van Gerrit van der Lindes vriend Aart Veder.

Grafschrift op Thorbecke LXXVII
Onder dit steentje,
Ligt een fenomeentje.
Multatuli (1820-1887)

“Wees uzelf!” zei ik tot iemand;
Maar hij kon niet: hij was niemand.

P.A. de Genestet (1829-1861)

Hep is niep lipperair, wap u hier leesp
Maar rijmp dan poch maar smeppeloos op Weesp.

Drs. P. (1919)

Toen Adam Eva had ontdekt
Sprak hij: Goddank, een lustobject!

Driek van Wissen (1943)
Lees verder >>